Vlinderstruik-Buddleia

Men zou kunnen denken dat de Vlinderstruik een inheemse plant is, omdat hij overal opduikt waar een stuk grond onge-moeid gelaten wordt: op ruigten, op kaden, langs spoorwegen, langs rivieren, op bouwgrond, kwasi overal in de stad tot in de dakgoten en tegen de gevels in staatstenen. Maar in realiteit is de Vlinderstruik oorspronkelijk uit China en Oost-Azië, die pas rond het einde van de 19de eeuw naar Europa werd gebracht, en zich in die relatief korte tijd verwilderd heeft in grote delen van Europa, Afrika en Amerika. Men zou hem dus als een "in-vasieve exoot" kunnen bestempelen.

Zijn Latijnse naam vertelt zijn introduktie in de wereld. Zijn fa-milienaam Buddleia refereert naar pater Adam Buddle, die zich bezig hield met het in teelt brengen in Engeland van aller-lei nieuwe exotiese planten. En zijn soortnaam davidii is dan weer een hommage aan een andere missionaris, de Fransman Armand David die naar China werd gestuurd. Deze pater werd vrijgesteld van zijn taak als missionaris, om zich volledig te kunnen wijden aan zijn botanistenwerk. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw was het ontdekken en importeren van nieu-we, exotiese soorten een blooming business in Europa. Maar in feite werd de plant pas in 1893 ontdekt door de Ierse genees-heer en botanicus Augustine Henry tijdens een tocht in West-China. Ere wie ere toekomt.

Het is een snelle groeier, die daardoor ook snel verhout, en niet lang leeft: gemiddeld slechts een 20 tot 25 jaar oud wordt. Het is een struik die om en nabij de 2 meter hoog wordt. Omdat hij snel "veroudert" , verdient het aanbeveling om hem in zijn tuin regelmatig tot kort terug te snoeien, zodat hij kan uitlopen in nieuwe scheuten (zie foto's hiernaast); een verjongingskuur die ieder jaar opnieuw voor een weelderige bloei zal zorgen. Want de Buddleia wordt vooral gehouden voor zijn bloesems. Ik kon hem net zo goed bij de BloemBomen besproken hebben.

Want in feite is het een opportunist die op zoek gaat naar droge, stenige plaatsen zoals braakliggende terreinen en langs spoorwegen; hij zoekt de zwakke plekken of scheuren op om te groeien, of dringt zelfs door het metselwerk van gebouwen. Als invasieve soort wordt hij meestal enkel bestreden op plaatsen waar men schade wil voorkomen zoals aan gebouwen of aan de infrastruktuur van spoorwegen. Sinds januari 2015 is deze soort in principe niet meer "toegelaten" op openbare terreinen, in bossen en in natuurreservaten.

Zijn schoonheid en zijn charme zorgen er echter voor dat hij gedoogd wordt: niet alleen bloeit hij weelderig en elegant , maar hij bloeit pas laat in het jaar (tot in oktober) wanneer de andere struiken en bomen grotendeels uitgebloeid zijn. Niet al-leen bloeit hij overvloedig met een overdaad aan hangende tui-len, maar geuren zijn bloemen heerlijk honing-achtig; en omdat ze grote hoeveelheden nectar produceren, trekken ze massa's vlinders aan. Zijn Nederlandse naam Vlinderstruik is terecht en ter zake: hij trekt een grote variëteit aan dagvlinders aan zo-als de kleine vos, de atlanta, citroenvlinder, koolwitjes, gehak-kelde aurelia, dagpauwoog en ditelvlinder (zie foto helemaal onderaan), maar ook diverse nachtvlinders (zoals de gamma-uil en de huismoeder).

Over die vlinders nog dit: natuurlijk mooi van de Vlinderstruik van vlinders van de nodige brandstof te voorzien, maar uitein-delijk neemt hij het mooie werk voor zich: met de voeding en opgroei van de rupsen moeit de Vlinderstruik zich helemaal niet. Hij is geen waardplant, dus de rupsen moeten maar voor het "vuile werk" ergens anders gaan. Hiermee verraadt hij zijn Weegschaal-aard: het leven moet elegant, sierlijk, mooi en aangenaam blijven, met een beetje glimmer en glamour. En laat ons de smerigheid, de goorheid, de vuile en triviale kanten van het bestaan aub verbergen met de mantel der liefde. Met zijn aantrekkelijkheid probeert hij zijn minder fraaie kanten uit het oog te doen verliezen.

Waarom heb ik dit laatste hiernet in het vet gezet, zul je je mis-schien afvragen? Welnu, omdat dit het geneeskrachtig gebruik van zijn broertje -de Buddleia officinalis- verduidelijkt: als Mi Meng Hua worden diens bloemknoppen gebruikt bij nacht-blindheid (nyctalopia), bij gezwollen en vermoeide ogen (asthe-nopia), soms met wazigheid en dubbelzicht gepaard, en bij ca-taract. Bij allerlei oogaandoeningen dus, vooral wanneer men geneigd is ALLEEN de mooie kanten van het leven te wil-len zien, en de lelijke kanten en problemen niet of in ieder geval veel minder. Als het maar mooi oogt, is het motto van meni-ge Weegschaal. De Vlinderstruik toont echter aan dat deze "fraaie buitenkant", vaak een heleboel problemen aan de bin-nenkant verbergt; door zich fraaier, beter of mooier voor te doen dan men is, schept men niet alleen verkeerde verwachtin-gen, maar verhindert men in de eerste plaats om zichzelf te to-nen ...... zoals men werkelijk is. Schone liedjes duren niet lang, en schoonheid is vergankelijk; wie denkt dat zij eeuwig zullen duren, strooit zichzelf zand in de ogen.

Als men dus VOORBIJ de bloesem van de Vlinderstruik kijkt, wat is dan de rest van zijn verhaal? Een sterke heester, met heel wat aanpassingsvermogen. Hij kan groeien op droge en stenige plaatsen, waar de meeste struiken zich niet kunnen handhaven. Hij kan zelfs goed tegen zeewind, en kan daarom als tuinplant dienen voor mensen die niet ver van de kust wonen. Hij heeft een snel metabolisme: groeit snel, en gaat snel dood. Maar an-derzijds ook een sterk uithoudingsvermogen: hij bloeit lang, en kan zich handhaven in erg moeilijke omstandigheden.

Alhoewel de oorspronkelijke bloemkleur van de in het wild groeiende Vlinderstruik blauwachtig paars is, met een oranje hartje, werden sindsdien heel wat kultuurvariëteiten gekweekt in allerlei kleuren, gaande van wit en rood, naar paarsrood en bordeaux, roze en marineblauw, violet en lila, ..... De struik produceert veel zaad, maar de planten die hieruit groeien zijn hybriden. Wil men dus een zuivere cultivar, dan moet men stekken nemen. Dit gaat buitengewoon gemakkelijk: steek een verhoutte tak in de grond, en de kans is groot dat daaruit een struik zal groeien. Dat is trouwens het probleem wanneer men een stuk grond vrij van bbuddleia's wil maken: alle wortelstuk-ken en takken moeten verwijderd worden, om een "terugkeer" te verhinderen. En ook nadien zal men moeten kontroleren of er geen nieuwe planten uit zaad zijn geschoten. Kortom, hoe mooi hij ook kan zijn, de Vlinderdtruik is ook een lastpak die men niet gemakkelijk "weg" krijgt. Als een caféganger die aan de toog blijft plakken, en nooit naar huis wil gaan.