De Zomereik (quercus robur)

Als er één boom aanspraak mag maken op de titel "koning van het woud" dan is het de eik, en meer bepaald de zomereik, die in onze kontreien de aloude inheemse vertegenwoordiger is. Hij maakt die kanditatuur waar om verschillende redenen; de eerste heeft te maken met de omvang en de ouderdom die hij kan bereiken. Onder de "merkwaardige bomen" zitten heel wat eiken: echte woudreuzen, parkgiganten of kolossale solisten op een wei. Je hoeft maar op het Net te zoeken naar "oude eiken", en je krijgt een hele trits titanen. Zo'n reus torent dan in het bos boven alle andere bomen uit. Samen met de beuk maakt hij de zogenaamde climax- vegetatie van het gemengd loofbos uit: de max, de "top of the bill", de alfa-boom van het bos, de big boss van het woud.
De tweede reden heeft te maken met de kwaliteiten van zijn hout: het is onbegonnen werk om al de toepassings-mogelijkheden van het eikenhout weer te geven. In vrijwel iedere industrie en vrijwel overal wordt het gebruikt: zowel voor konstruktiehout (de balken!), op scheepswerven, bij bruggenbouw en waterwerken, als in de chemiese industrie, de meubel-, speelgoed-, sportartikelen-, carosserie-, en landbouw-industrie. Zonder te vergeten: voor kozijnen, ramen, deuren, parket- en strokenvloeren, triplex en fineer, brugdekken, leuningen, wagon- en scheepsvloeren, en allerhande (cruciale) gereedschappen. Teveel om allemaal op te sommen!
Het eikenhout dankt zijn kwaliteiten aan de kombinatie van een zekere hardheid en sterkte, met het vermogen toch nog redelijk-gemakkelijk te bewerken en af te werken zijn. Bovendien is het hout van de eik werkelijk verzadigd met looizuur: hierdoor komt het dat zowel levende boom als "dood" hout geen last krijgen van aantastingen door schimmels of insekten. Een eikenboom heeft weinig last van beschadigingen; en eikenhout "bewaart" zeer goed en lang.

De derde reden heeft te maken met het ecosysteem die hij doet ontstaan: zijn vruchten, de eikels mogen dan niet zo direkt veelvuldig gebruikt worden door de mens, maar door dieren, is de eik uitermate geliefd. Hij kent dan ook een uitgebreide reeks gasten, voor wie hij de gulle gastheer speelt. Vooreerst zijn er een hele hoop insekten die zich te goed doen aan zijn loof; lusten eikebladeren als pap: in een grote eik kunnen tot 400 000 rupsen zitten (wie heeft die geteld?). De talrijke galappels op de bladeren van zowat elke boom, wijzen op frewent insekten-bezoek.
De reeks wordt aangevuld met al de sporadiese bezoekers of habituées die de eik in de herfst bezoeken en een eikeltje niet versmaden: kleine gasten zoals eekhoorns, Vlaamse gaaien, en muizen allerhande; dikke gasten zoals het everzwijn; en grote gasten zoals de hert-achtigen in heel hun soorten- en geweien-variëteiten. Voor hen is het eikel-tapijt dat de eik voor hen spreidt, een heuse lekkernij en noodzakelijke energiebron om aan te sterken en te verdikken om de moeilijke periode van de winter die daarna komt te kunnen overbruggen.
Maar dit is nog niet alles: heel wat dieren vinden in de eik een voorlopige of permanente woonplaats. Van de bescheiden pissebedden en andere kleine grut, tot en met de flamboyante bonte specht.
Men vergeet te gemakkelijk dat tot in de 15e eeuw, Europa nog voor één derde met eikenbossen bedekt was. Hoeft het te verwonderen, dat een boom die zo alomtegenwoordig en ook zo nuttig was, het tot cultusboom schopte? Geen wonder dus dat de eik eeuwenlang in Europa werd vereerd als een heilige boom. Zelfs vandaag koestert men eiken: een vredesboom, geboorte-boom of millennium-boom, is vaak een eik.

Tot daar deze opsomming van alle kwaliteiten, die de eik tentoon spreidt: het lijkt wel een heuse marketting- of pr-reklame voor de eik. En eigenlijk behoeft hij dat niet eens: men moet maar eens onder zo'n grote eik gaan staan of zitten, om te beseffen welk een imposante verschijning en geweldige uitstraling hij heeft. "Hij", want het is zonder meer wel degelijk een mannelijke boom; wat de leeuw is voor de dieren, is de eik voor het bos: de heerser.
Het feit, dat zeer krachtige mensen, die gezegend zijn met een geweldig uithoudings- vermogen, dikwijls " als een eik", worden genoemd, is geen toeval. Wie "op is", wie zich futloos en uitgeput voelt, kan dus best een uurtje aan de voet van een eik gaan zitten, om zich op te laden aan diens krachtige energie.
Ook Edward Bach heeft die eik-energie duidelijk herkend en beschreven: positief als de geweldige inzet en het uithoudings-vermogen om "ervoor te blijven gaan" , nooit op te geven, en nooit de moed te laten zakken. Negatief, als de drang om te blijven werken "tot men erbij neervalt" en nooit "de riem te kunnen afleggen": de illusie van zich onaantastbaar en onkwetsbaar te wanen. Zowel de eike-boom als de eik-mens, bezitten een krachten-potentiëel dat hen alle moeilijkheden en tegenslagen te boven doen komen. Maar het gevaar schuilt hierin: dit krachten-potentiëel is niet oneindig! Wil de eikmens niet geveld worden door een hartinfarkt onder zijn labeurs-werk, dan moet hij goed beseffen dat ELK levend wezen zijn limieten heeft die niet mogen overschreden worden. Ten bewijze daarvan: zélfs de krachtige, de onoverwinnelijke, de fenomenale eik, begint last te krijgen van de kombinatie van milieuverontreiniging en -belasting door de opwarming van de Aarde. Want zelfs voor de eik geldt: trop is teveel!